Zielig of juist heel slim

De herfst lijkt ingetreden. Ik rij naar mijn eerste afspraak van de dag. Zoals altijd heb ik er zin in vandaag. Het regent buiten en het waait maar mij doet dat niet zoveel. Sterker nog, ergens geniet ik er ook wel van. Ik hou wel van de afwisseling van de seizoenen.

Omdat ik wat vroeg ben wacht ik even in de hal. Het is een mooie en lichte ruimte. Terwijl ik op mijn gemak een tijdschrift doorblader komt er een mevrouw binnengestormd. Op haar doorweekte hakken rent ze naar de balie om zich te melden en ploft daarna zwaar geïrriteerd naast me op de oranje bank.

De dame in kwestie is aardig over de rooie, zo niet gestrest. Ik kijk haar aan en wacht af. Weet wat er komen gaat. En ja hoor, een hele tirade over de regen, een paraplu en al die mensen met natte jassen in een bus.

Ik laat het over me heen komen. Als ze uitgetierd is vraag ik haar wat er aan de hand is. Ze kijkt me aan, de tranen staan in haar ogen. Zonder hier al teveel in details te treden vertelt ze me dat ze tot over haar oren in een situatie zit waar ze maar niet uit lijkt te komen.

Ze heeft het zwaar, slaapt slecht. Is nukkig en nou niet echt gezellig voor haar omgeving. Dat beseft ze heel goed. Ze geeft toe dat ze momenteel op alles en iedereen wel wat aan te merken heeft. Niemand doet het goed. Of goed genoeg. In haar ogen. Terwijl zij probeert alles en iedereen onder controle te houden glipt er van alles als zand tussen haar vingers weg. De toekomst ziet er voor haar niet rooskleurig uit. En nu regent het ook nog!

Dan stel ik een andere vraag: ’Heb je hier al een keer met iemand over gesproken?’ Verbijsterd kijkt de dame me aan. ‘Met iemand praten? Hoezo! Ik ben toch niet zielig?‘ ‘Nee hoor’, zegt ze ferm, ‘ben je gek!’

Dat iemand zielig zou zijn als er ondersteuning ingeschakeld wordt is eenvoudig weg nooit in me op gekomen. Ook niet in de hoofden van de personen waar ik mee werk overigens. Hen hoef ik dus niet te vragen hoe zij er over denken. Wel ben ik benieuwd hoe jij hier over denkt:

Stel je hebt een doel voor ogen. Er is een situatie hebt waar je even niet uitkomt. Een kwaliteit die je verder ontwikkelen wilt. Iets over jezelf wilt onderzoeken. Of jouw team. Noem maar op.

En je zoekt hier iemand bij om dat samen mee te doen.  Om niet in je uppie alles uit te hoeven vinden. Om niet in kringetjes te hoeven draaien. Omdat je dan eerder bereikt wat je wilt. Omdat twee gewoon meer zien dan 1.

Ben je dan zielig? Of juist heel erg slim!

3 basisregels om te zijn, zoals alleen jij dat kan

Er was eens een boompje.

Een klein boompje tussen grote bomen. Hij gedroeg zich alsof hij groot was. Net zo groot als zijn mede-bomen. Wilde met ze mee doen. Keek ze naar de ogen. Lachte als zij lachten. Boog met de wind mee als zij dat deden. Stond rechtop wanneer zij rechtop stonden. Grote verhalen hing hij aan ze op.

Als kleine boom wat ook groot wilde zijn hief hij zijn takjes hoog, en hield hij zijn blaadjes strak om maar zo groot mogelijk te lijken als hij kon. Zijn aandacht op de anderen gericht.

De grote bomen keken het aan. In het begin was het wel lollig maar naarmate de tijd verstreek keerden zij langzamerhand hun aandacht af van de kleine boom die steeds krampachtiger zijn takjes omhoog hield. Zo graag hij erbij wilde horen, keerden ze zich juist van hem af.

Eenzaam staat het arme boompje tussen de grote bomen. Langzaam zakken zijn takjes enige tijd later naar beneden, de blaadjes bungelen ondervoed  naar beneden.  En dan komt het moment dat het op is. Moe gestreden staat hij er moedeloos bij. Hij snapt er niets van en voelt zich diep ellendig. Waarom hoorde hij er niet bij? Hij had toch zo z’n best gedaan ?

Na enig denkwerk besluit hij de stoute schoenen aan te trekken en het aan de vriendelijkste boom te vragen wat hij nu moet.

De vriendelijkste boom luistert hem aan.
Denkt even na en zegt: ‘Mijn jongen, zo een grote boom niet kan doen alsof hij klein is, kan een kleine boom niet doen alsof hij een grote boom is.

Het is zoals het is: Een kleine boom tussen grote bomen hoort zich te gedragen als een kleine boom tussen grote bomen.

Je anders voordoen dan je bent is als zwemmen tegen de stroming in en kost je alleen maar energie. Energie die je had kunnen gebruiken voor zorg voor jezelf. Voor het voeden van jouw wortels, jouw stam, takken en je blaadjes. Energie die je had kunnen gebruiken om te zijn wie je bent en te worden wat je hoort te worden.

We hebben hier in het bos een aantal regels:
1. Elke boom heeft zijn eigen unieke plek. Jij dus ook. Neem die in. Dat is je recht. Alleen vanaf die plek kun jij doen wat jij moet doen. Jouw eigen bijdrage leveren. Op andermans plek staan geeft alleen maar onnodige ballast zoals je ervaren hebt. Laat dat wat van een ander is bij de ander en draag alleen datgene wat bij jou hoort.

2. Wij waren hier al voordat jij dat was. Jij kwam later bij ons staan. Dat is de orde die heerst. Als nieuw boompje is het onmogelijk voor op de ouderen te lopen. Dat jij later kwam wil overigens niet zeggen dat je minder bent. Je bent net zoveel van waarde als wij. Je bent goed en waardevol zoals je bent. Juist door dat wat je bent. Onthoud dat goed!

3. En dan is er nog een derde regel: Het geven en nemen hoort in balans te zijn. Wij, grotere bomen, wisselen gelijkwaardig uit. Jij als klein boompje mag nemen van ons, grotere. We weten dat jij ons niet volledig terug kunt geven wat wij jou wel kunnen geven. Dat is niet erg, zo hoort het. Zorg op jouw beurt voor de boompjes die na jou komen, of anderen die dat nodig hebben. Dat is voldoende. Zo wordt de balans hersteld.’

Het boompje hoort het aan.
Een gevoel van opluchting stroomt door hem heen. Wat een eye- opener! Hij hoeft niet te zijn zoals de anderen! Hij mag zijn wie hij is. Het geeft niet dat hij nog niet zo’n dikke stam heeft. Nog niet zo lang is met een enorme groene kruin. Dat zou zelfs raar zijn, beseft hij nu. Hij is zoals hij is, en zo is het goed.


Epiloog:
Het boompje heeft de raad van de vriendelijkste boom opgevolgd.
Hij heeft zijn plek ingenomen en is goed voor zichzelf gaan zorgen. De energie die hij eerder in zijn omgeving stopte, stopt hij nu in zichzelf. En dat is te zien! Zijn stam is al wat dikker, de wortels wat dieper en de blaadjes glanzen in de zon. Tot zijn grote verrassing versieren bloemknoppen veelbelovend zijn kruin. Trots staat hij tussen zijn grotere vrienden.

Nòg kleinere boompjes kijken bewonderend naar hem op. Zij gedragen zich zoals hij zich gedraagt. Lachen als hij lacht. Buigen mee als hij buigt. Kijken hem naar de ogen. Willen net zo zijn als hij.

Met de les nog vers in zijn geheugen ziet hij het aan, schudt vriendelijk zijn volle kruin en zegt: ‘Geloof me! Je anders voordoen dan je bent is als zwemmen tegen de stroming in en kost je alleen maar energie. Energie die je beter kunt gebruiken voor zorg voor jezelf. Voor het voeden van jouw wortels, jouw stam, takken en je blaadjes. Energie die je beter kunt gebruiken om te zijn wie je bent. Waardoor je groeit zoals alleen jij kunt groeien. Zodat je kunt doen wat alleen jij kan doen. Je bent goed zoals je bent, en zo is het.’

– Karen van Hout

 

Als kreeften een dokter zouden hebben

Veranderingen.

Het doet altijd pijn. Een beetje op z’n minst.
De vraag is, doet de ‘verandering’ pijn of is het de pijn die je doet veranderen? Een interessante vraag die op verschillende manieren te beantwoorden is.

Maar hoe ga je hier dan mee om.

Is het niet zo dat we altijd proberen pijn te vermijden? En de verandering dus ook? En als je er moedig toch doorheen gaat, hoe kun je dat dan het beste doen?
Toevallig stuitte ik op een filmpje met Rabbijn Twerski wat hier op aan sluit.
Hij las een artikel over hoe kreeften groeien. Nu vond hij dat op zich een niet zo boeiend onderwerp maar er was wel wat hem raakte in het verhaal. En mij ook.

Ik vertel het je hier:

Hij las dat kreeften hele zachte beestjes zijn. Zij leven in een harde rigide schil wat zo hard is dat deze niet uit kan zetten.

Maar ook kreeften groeien. Hoe moet dat dan met de schelp? De kreeft heeft daar een oplossing voor gevonden.

Als een kreeft groeit, wordt zijn schil heel krap. Het zachte beestje komt onder druk te staan en voelt zich oncomfortabel. Hij zoekt een rots waaronder hij kan schuilen zodat hij niet aangevallen kan worden. Daarna werpt hij zijn schil af en produceert een nieuwe.

De kreeft groeit door en uiteindelijk is deze nieuwe schelp ook te krap. Hij gaat terug onder de rots, werpt wederom zijn schelp af en bouwt de volgende passende schelp. En zo gaat het door.

Waar het in dit verhaal om gaat:

Dat wat de kreeft stimuleert om te groeien, is dat hij zich niet meer prettig voelt. Het ongemak wat hij ervaart maakt dat hij de stappen zet die nodig zijn om de groei door te zetten.

Een glimlach verscheen op mijn gezicht toen Rabbi vertelde van mening te zijn dat als kreeften een dokter hadden, ze nooit zouden groeien. Een arts zou de kreeft namelijk- volgens hem-  een pijnstiller geven waardoor de kreeft zich weer prima voelt en niet meer de behoefte heeft om zijn schil af te leggen. Hij zou blijven zoals hij was. Zo had ik het nog niet gezien maar ik denk dat hij gelijk heeft. Is dat bij ons mensen niet net zo? Als je het ongemak niet ( meer) voelt, verdwijnt de impuls tot het zetten van de nodige stappen.

Wat je hier kunt halen is:

Tijden van tegenslag zijn tijden van groei. Pijn, een oncomfortabel gevoel maakt dat je de stappen zet die je nodig hebt om je weer prettig te voelen. In de tussentijd bescherming en hulp zoeken is prima. Zelfs aan te raden. Het geeft je de gelegenheid om in een veilige omgeving het ‘oude’ af te leggen en het ‘nieuwe’ eigen te maken.

Zodat je weer verder kunt.

Heb je nog een vraag? Laat het me weten in het contactformulier.
Denk je dat anderen deze blog moeten lezen? Deel hem gerust.